Alice in Coronaland

Dagboek van een vrouw in verwondering
Alice in Coronaland, Mirjam Vriend
Mirjam Vriend, TheaterMakers Radio Kootwijk
Door
Mirjam Vriend
Datum
29 mei 2020
Deel
Share on facebook
Share on twitter
Share on linkedin
Share on whatsapp
Share on email

29-5-2020

Het eerste streepje ochtendlicht. Zachtroze met een randje perzik. Alle vogels beginnen precies tegelijk uit volle borst te zingen.

Ik droomde vannacht dat ik half verlamd was.
De belangrijkste zenuw die van boven naar onder liep was half gescheurd. Half.
Ik zat heel stil in een rolstoel, zoals me was geadviseerd.
Langzaam drong het besef tot me door dat ik misschien niet meer ging lopen.
Ik sprong uit de rolstoel.
“Voorzichtig”, riepen allerlei mensen me toe, “zo scheurt ie door!”
Ik klemde mijn kaken op elkaar en zei: “ik ga de omliggende spieren zo sterk maken dat dat niet mogelijk is.”
Tegen mijn beduusde man zei ik: “Ga jij zo wandelen? Ik ga mee.”

“Zou je dat nou wel doen?”
Die zin bleef iedereen maar herhalen, in mijn droom, als een eindeloze echoput.

Mei was nog nooit zo mooi. Zo lente. De lucht is blauwer dan ooit.

Mijn droom volgde op de zoveelste dag waarop ik minstens duizend woorden typte die ik vervolgens weggooide.
Verbeten zoekend naar wat ik wilde zeggen, wat voor mij ook altijd weer gaat over de vraag wie ik ben.
“Misschien moet je jezelf even een schrijfpauze gunnen”, suggereerde mijn man voorzichtig, toen ik ’s avonds laat een zoveelste emmer vol emotie bij hem om kwam kieperen (oké; over hem heen kwam kieperen).
Nee dus. Niks pauze. Ik ga toch weer “wandelen” vandaag; ik kan niet anders.

De bakker hangt het brood aan de deurknop. Zoals hij al jaren doet. Iemand snoeit zijn heg.

De eerste hindernis die ik uit de weg moet ruimen, begrijp ik dankzij mijn droom, is dat gekmakende, repeterende “zou je dat nou wel doen” wat zich in mijn hoofd blijft herhalen. Het zijn geen andere mensen, overdag ben ik het zélf die dat zegt.
Dat verlammende verantwoordelijkheidsgevoel dat gebiedt dat ik nu, in deze bijzondere tijd, meer dan ooit iets betekenisvols moet produceren voor de mensheid als ik spreek, en anders mijn egoïstische aandrangetje moet inslikken.

De groenbakken staan op een rij. Morgen het papier. En over drie dagen de grijze bak.

Er moet veel wanhoop zijn, achter keurige voordeuren.
Mijn dierbare, oudste vriend, die voor veel zzp-ers de administratie doet, van prostituees tot ijscomannen, vertelt me dat dertig procent van zijn clientèle de kerst niet haalt.
“Ik heb mijn eerste zelfmoord al binnen, mijn collega heeft er inmiddels twee”, zegt hij.

De hei is uitgebloeid. Nu is de gele brem aan de beurt. Keurig erna, nooit tegelijkertijd.

In de Appie, bij de groente, ontmoet ik een goede bekende. Ze glimlacht als ik vraag hoe het gaat, ze zegt dat het goed gaat. Aan de manier waarop ze in de avocado’s knijpt zie ik dat ze jokt. Ik probeer haar nog een stukje te verleiden door te zeggen dat ik zelf nogal eens tegen de muren opvlieg, dat schrijven voor geen meter lukt, waar ik me ook nog eens voor schaam omdat zoveel mensen het zoveel moeilijker hebben dan ik, waardoor ik me nog vervelender ga voelen enzovoort.
Nee.
Ze wil niet huilen tussen de groente. ’s Avonds hoor ik via via -zoals meestal de laatste tijd- waarom.

Overal sissen de sproeiers. Zonnigste en droogste voorjaar ooit, zegt de weerman op het nieuws.

Ik lees weinig op LinkedIn. Ik denk dat ik te jaloers ben op mensen die nog een maatschappelijk relevant, zichzelf overstijgend, analytisch stuk weten te schrijven.
Ik nuttig teveel facebook-fastfood.
“Kijk eens naar mijn tomatenplant!! #trots”
“Lekker naar buiten met de hond. #gezegend.”
“Zingen onder oma’s balkon. #zokanhetook.”
En dan, opeens:
“Help, ik wil dat dit stopt.”
Enkel die ene zin, geen vervolg, geen toelichting. Wel staat die ene dikgedrukte zin op een mooie rode facebook-achtergrond, omringd met takjes kersenbloesem.
Mijn eerste impuls is om de auteur te bedanken. Maar dat kan een beetje raar overkomen: de auteur heeft het immers moeilijk. Na enig gepieker post ik dus een hartje.
Ik begrijp dondersgoed dat de auteurs van de tomaat, de hond en de oma het verschrikkelijk goed bedoelen. En ik vermoed ook dat het heel veel mensen helpt. Sterker nog: het is misschien wel broodnodig, een reddingsboei voor velen.
Misschien is het ook meer een kwestie van balans dat ik het wel heel fijn zou vinden om iets vaker dat andere geluid te horen; dat iemand (even) knettergek wordt van deze periode, waarin allerlei vreemde fenomenen zich steeds kafkaiaanser ontwikkelen.

De koolmees heeft jonkies gekregen. Ze piepen in het vogelhuisje.   

“Ik wil zo graag iets vaker een eerlijk gezicht zien”.
Dat zei ik gisteravond tegen mijn man, die nog na-droop van de emmer emotie die ik even daarvoor over hem uitgestort had.
Buitenshuis moeten we met zijn allen lichamelijk contact ontberen. De zeer begrijpelijke overlevings-glimlach die veel mensen op lijken te zetten zodra ze hun huis verlaten, heeft volgens mij wel als bijwerking dat onze noodgedwongen afstandelijkheid nóg groter wordt.

De buurman lakt zijn derde laag. De huizen in de straat staan er stralend bij.

Mijn hoofd is al weken zo goed als leeg. Het enige wat ik aan kan bieden is mezelf. Wat ik, na overrijp beraad, dan ook doe. Want ik weet dat ik niet zo uniek ben als ik soms natuurlijk stiekem wel hoop. Ik weet dat er minstens nog wel een paar verloren zielen rond-sjokken die net zo graag als ik willen uitschreeuwen dat ze af en toe tegen de muren opvliegen, maar die dat net als ik allang niet meer durven.
Ik ga eerlijk zijn als ik je morgen tref bij de groente.
En als ik je daar niet tref, maar alleen in dit internet-samenzijn, dan sla ik bij deze twee virtuele armen om je heen en zeg:
“Je bent niet de enige.”

De kerkklok slaat elf. Tijd om weer te gaan slapen.